Veelvoorkomende fouten in het gebed

 

1. Het verzaken van het gebed in zijn totaliteit. Dit is werkelijk koefr (ongeloof) en het bewijs hiervoor wordt gevonden in de Qor-aan, de authentieke Soennah en de consensus (al-idjmaa’) van de oemmah.

2. Het uitstellen van as-salaat tot na zijn toegewezen tijd. Dit is een overtreding volgens de Uitspraak van Allah de Verhevene (Nederlandstalige interpretatie): “…Waarlijk, as-salaah is voor de gelovigen voorgeschreven op vastgestelde tijden (mawqoet).” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 103.]

3. Het verzaken van het gezamenlijke gebed (salaat al-djama’aah) in de masdjid (moskee) door mannen die daartoe in staat zijn, hetzij altijd of regelmatig. Het bevel is gegeven om de salaah te verrichten in gemeenschap in de masaadjid (meervoud van masjid). Het gezamenlijke gebed is een verplichting (voor mannen) behalve voor degenen die een geldig excuus hebben volgens de sharie’ah.

4. Gebrek aan rust/kalmte (at-toma-enienah) in de salaah. Dit wordt normaal gesproken gedaan uit onwetendheid en het is een openlijke zonde omdat rust en kalmte een pilaar/zuil (roekn) van de salaat is en zonder rust en kalmte is de salaat incorrect.

5. Gebrek aan gepaste eerbied en nederigheid (khoeshoe’) in de salaat en buitensporige beweging erin. De plaats van khoeshoe’ is in het hart en het is zichtbaar in de kalmte van de ledematen en nederigheid tegenover Allah Ta’aalaa.

6. De imaam opzettelijk voorgaan in de bewegingen van het gebed of het niet volgen van zijn bewegingen. Dit maakt de salaat of raka’ah ongeldig voor eenieder die buigt voordat zijn imaam zijn eigen raka’ah verricht, tenzij hij het later opvolgt met een andere buiging. Dit geldt ook voor alle andere arkaan (zuilen/pilaren) van de salaat. Het is verplicht voor de biddende persoon om de imaam volledig te volgen zonder hem voor te gaan of achter te blijven in één roekn (zuil/pilaar) of meer.

7. Het opstaan om een gemiste raka’ah in te halen voordat de imaam zijn tweede tesliem (d.w.z. het sluiten van het gebed door “as-salaamoe ‘alaykoem wa rah’matoellaahie” naar rechts en links te zeggen) volledig heeft afgemaakt.

8. Het hoorbaar uitspreken van de intentie (nieyyah) voor het gebed. Dit is een bid’ah (innovatie)! De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) maakte nooit de intentie voor de salaat hoorbaar. Ibn al-Qayyim (rah’imahoellaah) gaf aan in Zaad al-Ma’aad of in al-Hoedaa an-Nabawiyy: “Wanneer de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) stond voor het gebed, zei hij: ‘Allaahoe Akbar,’ en zei er niets vóór, noch sprak hij zijn intentie hoorbaar uit. Noch zei hij: ‘Ik ga bidden voor Allah dit-en-dat gebed, richting de qiblah (gebedsrichting), vier raka’aat, als imaam of volger.’

9. Het niet reciteren van al-Faatih’ah in de salaat. De recitatie van al-Faatih’ah is een pilaar/zuil (roekn) en de salaat is ongeldig van eenieder die het niet reciteert. Dit is volgens de uitspraak van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): “Eenieder die een salaat verricht waarin al-Faatih’ah niet is gereciteerd, het is dan verloren gegaan – en hij herhaalde het drie keer – en incompleet.” (Moeslim, van Aboe Hoerayrah – moge Allah tevreden zijn met hem.)

10. Recitatie van de Qor-aan in roekoe’ (buiging) of tijdens soedjoed (ter aarde werping). Dit is verboden, gebaseerd op een overlevering van Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden zijn met hem) dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft: “Ik ben verhinderd van het reciteren van de Qor-aan tijdens het buigen of in neerknieling…” (Overgeleverd door Moeslim.) ‘Aliy (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “De boodschapper van Allah verhinderde mij van het reciteren van de Qor-aan tijdens het buigen en neerknielen.” (Overgeleverd door Moeslim en anderen.)

11. Het omhoog kijken tijdens de salaat. Wat betreft het omhoog kijken, dit is verboden en leidt tot bestraffing. Het is verhaald door Djaabir ibn Samoerah (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: “De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei: ‘Laat de mensen stoppen met het omhoogkijken naar de hemel tijdens de salaat, of laat hun zicht niet naar hen terugkeren.’” (Overgeleverd door Moeslim.) De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) waarschuwde ons: “Laat hen die hun blikken opheffen tijdens het gebed ermee ophouden, of anders zullen hun blikken niet naar hen terugkeren.” (Overgeleverd door Moeslim.)

12. Naar rechts en links kijken zonder goede reden. Het onnodig rondkijken is een gebrek in de salaat van de aanbidder zo lang hij niet zijn gehele lichaam in een andere richting heeft gewend [d.w.z. weg van de qiblah]. Als echter het gehele lichaam gedraaid wordt, dan is de salaat ongeldig gemaakt. Het is verhaald door ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar), die zei: “Ik vroeg de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) over het rondkijken tijdens de salaat. Hij zei: ‘Er wordt gestolen door shaytaan van de salaat van de aanbidder.’” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.) At-Tirmidzie verzamelde ook een authentieke h’adieth: “Wees gewaarschuwd voor het draaien en rondkijken in de salaat, want het is vernietiging.” En er zijn andere ah’aadieth over het rondkijken tijdens de salaat.

13. Het zitten op je hurken (al-iq’aa-e) tijdens de salaat. Al-iq’aa-e is verboden, zoals dat verhaald is door Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: “Mijn dierbare vriend verbood me drie dingen: hij verbood me het pikken als een haan [het zeer snel verrichten van soedjoed zodat het hoofd amper de grond raakt – vert.] (zie punt 4 van dit artikel), het zitten op de hurken als een hond, en het rondkijken als een vos.” [Overgeleverd door Ah’mad en anderen, en de isnaad (keten van overleveraars) is h’asan (goed) geclassificeerd door al-Moendzirie en al-Haythamie.]

14. Soedjoed verrichten met de ellebogen (al-iftiraash) op de grond. De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) verbood een man het spreiden van zijn armen op de grond als een roofdier.

15. Het dragen van dunne (doorschijnende) kleding welke de ‘awrah (datgene van het lichaam dat voor anderen bedekt moet zijn) niet voldoende bedekt. Dit is iets wat de salaah ongeldig maakt omdat het bedekken van je ‘awrah een voorwaarde is voor een geldig gebed.

16. Een vrouw die haar hoofd niet bedekt met de khimaar en haar voeten niet bedekt in salaah. De ‘awrah van de vrouw in de salaat is haar volledige lichaam met uitzondering van haar gezicht. Noch is er enig kwaad geschied wanneer zij haar gezicht bedekt wanneer (niet-mah’ram) mannen haar kunnen zien.

17. Het voorlangs lopen bij iemand die aan het bidden is, ongeacht of het de imaam betreft of iemand die alleen bidt. Het is een zonde voor de persoon die voorlangs iemand die aan het bidden is loopt. Als de persoon die bidt geen soetrah heeft, dan dient men – als men deze persoon voorlangs wil passeren – in te schatten waar zijn plek van soedjoed zal zijn zodat degene die wil passeren achter dit punt kan passeren.

18. Het nalaten om voor een soetrah (afscheiding) te bidden. De soetrah is een voorwerp, zoals een muur of een stoel, waar je voor moet gaan staan om te bidden. Elk voorwerp, zoals een pilaar of een tas, kan dienen als een soetrah door het op de grond te plaatsen en er voor te gaan staan, met de bedoeling dat niemand voor hem of haar door mag lopen terwijl deze persoon in gebed is.

19. Het over mensen stappen tijdens de djoemoe’ah khoetbah (vrijdagstoespraak). Degene die duwt of over de mensen heen stapt tijdens de djoemoe’ah khoetbah, schaadt mensen doordat hij laat is voor de salaat, in overeenstemming met de uitspraak van al-Moestafaa (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): “Ga zitten, want je hebt schade veroorzaakt en (bent) laat gekomen.” (Overgelever door Ah’mad en anderen.) Het passeren tussen andere mensen is verboden. Iemand die de masdjid binnenkomt dient te zitten waar ruimte is, tenzij hij een aanzienlijke open ruimte ziet waar hij dan naar toe dient te gaan en zitten.

20. Het niet zeggen van takbieratoe l-ih’raam (de openingstakbier) als men zich voegt bij de djamaa’ah terwijl de imaam in roekoe’ is. Dit is een zeer grote fout aangezien takbieratoe l-ih’raam een pilaar (roekn) is van de salaat [zonder is de salaat niet geldig] die uitgevoerd moet worden door degene die bidt wanneer hij [recht] staat voor de salaat waarna hij zich begeeft in de positie van de imaam in de buigende houding (roekoe’). Het verrichten van takbier (al-ih’raam) en vervolgens een andere takbier voor het gaan in roekoe’ is completer en beter. Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) verrichtte takbier wanneer hij stond voor de salaat en verrichtte vervolgens takbier voor het buigen.”

 

(Door Saalih’ ibn ‘Abdoel-‘Aziez ibn Moh’ammed Aal s-Shaykh) 

Comments are closed.