De kleine mieren

De Profeet (salAllahu calayhi wasallam) en zijn metgezellen maakten een kamp om uit te kunnen rusten. De Profeet (sws) liep het kamp rond en sprak met de mannen en verzekerde zich er van dat alles in orde was. Toen, niet ver van hem vandaan, zag hij een vuur. Iemand had het vuur aangestoken om zichzelf te warmen. De Profeet (sws) liep naar de man die het vuur had aangestoken en sprak met hem.

Opeens zag hij dat er vlakbij een mierenhoop was.

De mieren renden vlak bij de mierenhoop en werkten heel hard zoals mieren altijd doen. Sommige mieren waren verder van de mierenhoop verwijderd dan de anderen en de Profeet zag dat er een paar erg dicht bij het vuur kwamen wat de man had aangestoken. Als ze nog dichterbij kwamen dan zouden de mieren zich verbranden of zich op de een of andere manier pijn doen.

De Profeet (sws) was erg ongerust toen hij dit zag. De mieren waren in gevaar. Dat betekende dat Allah’s levende wezens in gevaar waren.

“Wie heeft dit vuur aangestoken?” vroeg hij. De man die het vuur gemaakt had, keek op. “Ik heb het vuur aangestoken, O Boodschapper van Allah!” antwoordde hij. “Het was koud en ik wou mezelf warmen.

“Vlug!” zei de Profeet tegen hem. “Doof het vuur! Doof het vuur.” De man gehoorzaamde onmiddellijk. Hij nam een deken en sloeg op het vuur tot de vlammen uitgedoofd waren.

Toen keek de man in het rond en zag dat er mieren waren op de plaats waar het vuur geweest was. Hij realiseerde zich toen, dat de Profeet (sws) zich zorgen om de mieren had gemaakt. Hij wilde niet dat het vuur hun zou schaden en in zijn grote genade beval hij om het vuur te doven. Na dit voorval keek de man altijd goed in het rond voordat hij een vuur aanstak.

“Er kunnen mieren of andere dieren in de buurt zijn,” zei hij altijd tegen zichzelf. “En Allah verbiedt het de mens om hun schade toe te brengen!”

Comments are closed.